Logo Burgevoogd

Marleen is de burgervoogd van Amber

‘Je doet het, omdat het kind in je hart zit’

 

‘Het belangrijkste is toch dat je er wilt zijn voor een kind. Dat je betrouwbaar wilt zijn. Dat ze op je kan rekenen. Dat je blijft.’ Marleen, de burgervoogd van Amber vertelt.

 

Marleen is de burgervoogd van Amber

‘Het begon met een crisisplaatsing vanuit de pleegzorg,’ begint Marleen. We zitten aan de keukentafel van een ruime, gezellig rommelige eengezinswoning in een buitenwijk van Zutphen. Kindertekeningen, foto’s en een hele rij stoelen aan de tafel verraden dat hier veel kinderen wonen en dat andere kinderen er altijd welkom zijn.

‘Amber was twee weken oud, toen ze bij ons kwam. Het was al snel duidelijk dat haar ontwikkeling anders verloopt dan bij andere kinderen. De eerste maanden bij ons sliep ze alleen maar. Haar ouders zijn bekend met psychiatrische problematiek. Amber heeft FASD (foetaal alcoholsyndroom), maar het is onduidelijk of haar moeder tijdens de zwangerschap alcohol gebruik heeft. Wel is zeker dat ze blootgesteld is aan medicatie die haar moeder gebruikte. Daardoor was Amber de eerste maanden na haar geboorte weinig alert en ontwikkelde ze zich onvoldoende. Dat heeft Amber al vanaf de start op achterstand gezet. De ouders van Amber houden veel van haar, daar ligt het niet aan. Maar ze hebben nooit voor haar kunnen zorgen.’

 

Groot netwerk

‘Toen Amber ongeveer vijf maanden was, zijn haar ouders ontheven van het gezag. Ze gaven zelf aan dat het ze niet zou lukken. Een pijnlijke beslissing voor hen, maar wel in het belang van Amber. De rechter begreep dat en heeft hen daarom ontslagen van hun verantwoordelijkheid. De voogdij ging vervolgens naar Jeugdbescherming Gelderland. Wij bleven haar pleegouders.

‘Jarenlang ging dat erg goed. We hebben meer dan zeven jaar dezelfde voogd gehad. Met haar hadden we prima contact. Amber ziet haar ouders zo nu en dan, en ook haar opa’s en oma’s zijn in beeld. Ze heeft echt een groot netwerk. Er was eigenlijk nooit een reden om de pleegoudervoogdij te vragen. We vonden het ook wel prettig om in de persoon van de voogd op de achtergrond iemand te hebben met wie we konden overleggen over Amber.

‘Maar Amber werd groter. Het verschil tussen haar en de andere kinderen in ons gezin werd steeds lastiger voor haar. Ze raakte gefrustreerd, omdat ze in vergelijking met haar pleegbroer en -zus zo weinig leek te kunnen. Bij ons wonen werd hoe langer hoe meer juist nadelig voor haar. Amber is emotioneel minder weerbaar en ze heeft veel structuur nodig. In een druk gezin als het onze raakt ze snel ondergesneeuwd. Ze heeft een andere setting nodig om tot haar recht te komen. Uiteindelijk hebben we, met alle betrokkenen, besloten dat het beter voor Amber zou zijn als ze in een gezinshuis zou gaan wonen. Daar is ze meer op haar plek, is er meer specifieke aandacht voor wat zij nodig heeft. Gelukkig woont ze hier niet ver vandaan. Om de twee weken komt ze een weekend bij ons. Wij zijn ook formeel haar weekendpleegouders.’

 

Naar huis

‘Dat was 2,5 jaar geleden. Amber is nu 12. Ze heeft het heel erg naar de zin in het gezinshuis. Laatst, toen ze na het weekend terugging, zei ze dat ze het erg leuk had gehad bij ons, maar dat ze ook weer blij was dat ze ‘naar huis’ kon. Dat was fijn om te horen. Je laat een kwetsbaar kind niet zomaar los.

‘Daarom wilden we ook de voogdij over Amber krijgen op het moment dat ze in het gezinshuis ging wonen. De dagelijkse zorg voor haar opgeven, dat was nog tot daaraantoe. Maar geen zeggenschap meer hebben, dat wilden we echt niet! Bovendien dachten we: als er nog een instelling, nog een partij komt in het leven van Amber, namelijk het gezinshuis, dan moet er ook een partij vertrekken. In dit geval de voogdijinstelling. Anders wordt het veel te druk om zo’n kind heen. We hebben natuurlijk uitgebreid met iedereen overlegd. Ook met haar ouders. Die vroegen vooral wat Amber er zelf van vond. En als Amber het goed vond, vonden zij het ook prima.

‘We werken allebei in de zorg. Ik kom uit de zorg en begeleid sinds kort mensen met afstand tot de arbeidsmarkt in mijn eigen winkel. Arjan is maatschappelijk werker in de verslavingszorg. Dus we hebben de nodige ervaring met ‘moeilijke mensen’. Dat helpt wel als je pleegouders bent en nu bij de voogdij. Maar het belangrijkste is toch dat je er wilt zijn voor een kind. Dat je betrouwbaar wilt zijn. Ook als ze gaat puberen. Dat ze op je kan rekenen.’

 

In je hart

‘Dat wij in de zorg werken, helpt ook bij het regelen van allerlei zaken. We weten de wegen wel te bewandelen. Maar ook als we dat niet zouden weten – je komt er altijd wel uit. Je kunt ook altijd hulp vragen bij de huisarts, het maatschappelijk werk of een Centrum voor Jeugd en Gezin. Je moet wel bereid zijn om hulp in te schakelen en te accepteren. Samenwerking zoeken met de mensen bij alle instanties waar je mee te maken krijgt. En natuurlijk met de ouders van Amber, met de gezinsouders, met de mensen van pleegzorg voor de weekendopvang, met de leerkrachten en begeleiders op school.

‘Praktische problemen komen we eigenlijk niet tegen. We hebben natuurlijk het geluk dat we financieel niet krap zitten. Want het is liefdewerk. Je krijgt er geen vergoeding voor. Je doet het omdat het kind in je hart zit. Voor de weekendopvang krijgen we overigens wel een kleine vergoeding, al is die lang niet kostendekkend. Ik zou het overigens wel terecht vinden als we bepaalde kosten vergoed zouden krijgen. Als ze een paspoort nodig heeft, betalen wij dat. We sluiten verzekeringen voor haar af, want als voogd ben je aansprakelijk voor de schade die zij als kind kan aanrichten. Maar het gaat me niet om het geld. Het gaat om de zuiverheid in de verhoudingen. Je zorgt toch voor het kind van een ander. Daar zou de samenleving iets meer verantwoordelijkheid voor mogen nemen.’

 

De baas

‘Amber weet dat ik haar voogd ben. Ze maakt er wel eens grapjes over: ‘Mama is de baas’. Ze weet dat ik dingen doe die haar voogd vroeger altijd deed, zoals haar rapporten ondertekenen. We hebben expliciet tegen haar gezegd dat we altijd in haar leven zullen blijven. Daardoor is ze niet onzeker over onze betrokkenheid. We hebben dat ook zo aan haar uitgelegd toen ze vertrok. Onze rol is veranderd. Maar wie we zijn voor haar, als persoon, daar verandert niks aan. Ze blijft ook mama en papa tegen ons zeggen. Hoewel, ook dat verschuift. Vroeger waren wij ‘gewoon’ mama en papa. Haar ouders waren ‘mama Astrid’ en ‘papa André’. De laatste tijd merk ik dat ze ons steeds vaker ‘mama Marleen’ en ‘papa Arjan’ noemt. De gezinsouders noemt ze gewoon bij de voornaam. Het moet wel een beetje overzichtelijk blijven!